Vrij

Ik ben vrij. Zomaar een week. Of zes dagen dan toch, zaterdag speelde ik nog in Barendrecht en vrijdag mag ik pas weer in Amstelveen.

Vrij. Het klinkt zo fijn. Zo vrolijk. Zo.. Vrij.

Maar als je iets zo graag doet, als ik doe – Spelen, onderweg zijn, mensen vermaken, beter proberen te worden. Elke avond proberen scherper, zuiverder, preciezer, maar daarnaast ook losser en relaxter te worden… Zo leuk als dat is.. – dan dekt vrij de lading niet.

Natuurlijk is het prettig de dag niet te beginnen met het checken van de stem. Zit ie er? Hoe erg is de schade van gisteren? Voor zangers een tic; de hele dag voelen, hummen, neurieën. Haal ik de noot? Voel ik iets geks? Laatst zei iemand tegen me, terwijl we langs het voetbalveld naar onze kinderen stonden te kijken: “Je hebt zelf niet eens door dat je dat doet hè?” En ik wist eerlijk niet waar hij het over had. Hij doelde op de geneuriede glissando die ik eigenlijk de hele dag door maak. Bijna als een bijgeloof. Als ik de topnoot in mijn kopstem haal, is mijn stem in elk geval sterk genoeg om de avond te halen.

(In de periode dat we met AedM de voorstelling “Spelen” speelden, was de geneuriede glissando geëvolueerd tot een luide, woeste WhoeOeOEOEiiiiiiii !!!! waar iedereen zich steeds het zuur van schrok. Heb ik daarna weer teruggedraaid. Mensen wilden niet meer naast me staan bij het voetbalveld, of in de coulissen. Bovendien werd ik er schor van)

Natuurlijk is het fijn om rond 16.30 niet ergens in een file te staan, maar bij de invallende herfstschemering een glaasje wijn in te schenken, te proosten met mijn spiegelbeeld in het keukenraam, en te beginnen aan het klaarmaken van de maaltijd, hoewel mijn kookkunsten in het niet vallen bij die van Isabel.

Natuurlijk is het heerlijk om met het gezin te eten, te kletsen. De dag door te nemen.Maar het wordt onvermijdelijk kwart voor 8. En dan zegt niemand: “Half uur voor aanvang”, terwijl mijn adrenaline toch onmiskenbaar de kop begint op te steken. Niemand komt vertellen dat de zaal bijna open gaat, en dat de eventuele laatste podiumcheck nu plaats moet vinden, omdat het anders niet meer kan. Niemand zegt “vijftien minuten”. Niemand vraagt of ik nog een glaasje water wil.
“Iets anders dan? Er zijn bloemen vanavond, hou rekening met de bloemen, en er zit iemand in een rolstoel links van de voorste rij, dan weet je dat”.
Twee hoofden om de kleedkamerdeur:
“Wij gaan naar onze plekken”.
“Zet ‘m op jongens. Have fun”.
High fives. Mannenhugs.
“Geen fouten maken!” “We zouden niet dúrven!” Grijns.
Even alleen nog.
“Vijf minuten!”
Ik ben zover.
“Ga je mee?”
Ik ga mee.
“Trappetje op”
Stommeldebommel, auw mijn hoofd!
“O nee, deze kant langs”
Zeg dat dan eerder.
“Jeroen, hoor je mij? We staan klaar”
Laatste geneuriede glissando.
“We hebben aanvang. Je mag, veel plezier”
Ik ben weg. Licht. Mensen. Zaal. We zijn begonnen.

20.15. Adrenaline op zijn hoogtepunt, maar er komt geen inlossing, geen kick.

Natuurlijk kan ik groots opkomen met de koffie. Uiteraard kan ik als geen ander schmieren bij het zoeken naar de juiste serie op Netflix. Ontroeren bij het naar bed brengen van het kroost. Timen wanneer ik nog een kopje koffie ga zetten. Toewerken naar de toegift, de wijn. Verleiden voor het naar bed gaan. Maar het is tóch anders. Óók leuk, maar anders.

Tegen de tijd dat het vrijdag is ben ik hier wel weer aan gewend.