Vissenkommetje

Ook fijn van deze tour is dat ik zalen zie die ik nog niet eerder gezien had.

Ik ben trouwens al helemaal niet iemand die te pas en te onpas zegt: “Ja, op een gegeven moment heb je het wel gezien in dit land, dan draai je gewoon het rijtje theaters nog een keer af. Steeds datzelfde rondje..”

Nee daar zijn het mij sowieso te veel zalen voor. Ik onthoud al die plekken niet. Ik zit als een vrolijke goudvis naast mijn tourmanager (die nieuwe, Stephan. Is ook een goede hoor. Kom ik nog wel eens op terug. Onthoud die naam) in de auto, en vraag waar we heen gaan. En dan zegt hij “Roosendaal”, en dan ik: “O, ja Roosendaal, De.. kom help even.. De.. ik heb ‘m bijna! De… De.. Iets met een vogel…” .. “Kring” klinkt het naast me. “O ja, De Kring! Met dat laad- en losperron dat op en neer beweegt!” En dat klopt dan helemaal niet want dat laad-en losperron dat op en weer beweegt dat is heel ergens anders, vraag me even niet waar, maar daar kom ik vanzelf op.

Overigens een goed nummer van Van Dik Hout: Laat het gaan, Laat het vallen, Laad en Los. Maar ik dwaal af. (Even tussendoor, dat zijn van die dingen waar je niet van afkomt, als je in een tekst eenmaal iets hoort, dan blijft dat tot in eeuwigheid de tekst. Zoals “ik draag een ringbaard” uit Niet Of Nooit Geweest. Of John Leddy die vermoord werd in Laat Me Slapen. Zo hoorde ik ook altijd als mijn concentratie verzwakte achter “Kent hij je angst en je verdriet?” (Lopen tot de de zon komt) Kasper en Diederik tweestemmig “nee die kent hij niet!” zingen vanuit de coulissen. Ach, voorbeelden te over, van ” maar elke kleur van je haar” van Frank Boeijen, via “papa ik lijk steeds meer een vrouw” van Stef Bos, naar “daar sta je met je piemel in je hand” van Bløf… Zit ik nou nog steeds tussen mijn aanhalingstekens? Mijn god. Ok, ik gooi ze dicht).

Maar waar de eerder genoemde goudvis steeds weer verheugd is met zijn nieuwe uitzicht, stap ik dan een theater in wat ik gelukkig herken, en dus totaal onverwacht kom je een beetje thuis. In deze koude mistige dagen moet ik er zelf maar wat gezelligs van maken, dat leest u al.
In deze tour zitten, zoals ik dit, nu al te lange, stukje begon te zeggen, leuke verrassingen. Plaatsen waar ik nooit eerder was geweest, laat staan had gespeeld. Bladel, Oostburg, De Meern bijvoorbeeld. Of theaters waar ik met de mij zo kenmerkende flair en overmoed, met wijd gespreide armen de bühne op stap om, òf in een koude donkere lege zaal te turen, òf voor het publiek van Ronald Goedemondt te staan, omdat ik de kleine of de middenzaal had moet hebben. Ronald kan hier erg van genieten, en dat ie gelijk heeft.

Maar afgelopen week speelde ik achter elkaar in twee theaters waar ik wel eerder gespeeld had, maar nog niet na de verbouwing/verplaatsing/vernieuwing. Zowel in De Stoep in Spijkenisse als De Kampanje in Den Helder speelde ik voor de eerste keer in de nieuwe schouwburg. En wat is het geweldig om te zien dat beide theaters het prima begrepen hebben. Het voelde meteen vertrouwd. De ontvangst hartelijk, de kleedkamers warm. De koelkasten open, en trotse directeuren, programmeurs en hoofden techniek die met veel liefde vertellen over hun nieuwe theaterhuis. De architectuur, de akoestiek, de geschiedenis. Ik heb me werkelijk gelaafd aan de gedeelde en tentoongespreide liefde voor het theater.

Ik geloof dat ik zo’n beetje halverwege deze tour zit, maar who’s counting. Ik heb een toptijd in mijn vissenkommetje.